Historie Zeilpramen

Een paar keer per jaar werden er zeilwedstrijden voor pramen gehouden. "Iets zeer interessants", zo werden in de jaren 1928/1929 de wedstrijden voor boerenpramen in advertenties aangekondigd. De wedstrijden werden gezeild in twee afdelingen, houten en ijzeren boeren pramen. Onder toezicht van de Stichting De Fryske Boerepream zijn ruim 20 authentieke boeren zeilpramen weer in hun originaliteit hersteld. Ook de Nederlandse regering heeft de Friese zeilpraam ontdekt. Ieder jaar zijn zij op de Friese meren te vinden.

De Friese zeilpraam is van oorsprong een oud vrachtscheepje. Op plekken waar de skûtsjes niet konden komen werden de minder diep stekende pramen ingezet. Vooral in de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw was de boeren zeilpraam in Friesland het transportmiddel voor vee, mest en hooi. Er zijn vele soorten pramen. Het oudste type dat in het Friese scheepvaartmuseum te Sneek wordt getoond is de houten Friese praam, de Terhornster graspraam. Rond de eeuwwisseling werden de houten pramen vervangen door de ijzeren ronde pramen. De onderbouw van een praam is te vergelijken met die van een skûtsje, maar is wat rechter en heeft minder zeeg. De praam is een lang en smal schip met een ronde voor- en achtersteven.

Met de praam kon worden gezeild, maar heel vaak werd hij met een boom voortbewogen. Het gebruik was hoofdzakelijk agrarisch. In het voorjaar werd het vee naar de weilanden gebracht die slechts via het water bereikbaar waren. De koeien stonden dan om en om in het schip, met een touw vanaf het halster vastgezet aan een ring in de praam. Gedurende de tijd dat het gras gemaaid moest worden kon een maaimachine op het voordek worden gezet en naar het weiland vervoerd worden. Het paard kreeg een plaats achter in de praam. De giek moest hiervoor wat hoger worden gezet, hoewel geoefende paarden precies wisten wanneer de giek overkwam en zich dan bukten. Ook andere machines die bij de hooioogst werden gebruikt werden per praam vervoerd.

Wanneer het hooi vanaf de weilanden naar de boerderij moest worden vervoerd gebeurde dit ook per praam. Het hooi werd dan hoog opgetast in het schip. Hierbij moest de giek circa 2,5 m. hoger aan de mast worden geplaatst. Bij het zeilen werd slechts een klein zeiltje gebruikt, geen fok. Om te voorkomen dat hooi tussen het schip en de zwaarden kwam, werden houten hekjes voor de zwaarden geplaatst om het hooi binnen boord te houden.

Toen de praam nog een echt werkschip was, zagen ze er qua onderhoud perfect uit. Niet alleen veel boeren in waterrijke gebieden waren van de praam afhankelijk. Ook veel andere bedrijfstakken gebruikten de praam om kaas, meel, aardappelen, suikerbieten en riet te vervoeren. In steden als Sneek, Akkrum en Joure werden de ouderwetse ’tonnetjes’ per praam opgehaald. Deze tonnetjes werden in een kapschuur geleegd, waar de inhoud kon indrogen en later als kompost weer werd doorverkocht.

Sjerp de Vries weet zich de zeiltochten van vroeger nog goed te herinneren. Zijn vader moest als ‘koumelker’ dagelijks gras van het land halen om de beesten te voeren. Tot windkracht negen werd er nog gezeild. Bij slecht weer schuilden de kinderen onder de getaande zeilen en kwamen er bruin doorweekt onder vandaan. Omstreeks het midden van de vorige eeuw verdwenen de masten uit beeld en werden de pramen met behulp van een gemotoriseerde sleepboot naar hun plaats van bestemming vervoerd..